24.02.2012

LÉOPOLD DE BELGIQUE (suite N° 1) - LEOPOLD VAN BELGIË (vervolg Nr 1)

LEOPOLD VAN BELGIË

 

Door John Cudahy, V.S. Ambassadeur

 

(vervolg Nr 1)

 

Bombarderende vliegtuigen zonder waarschuwing

 

Het was kort na 5 uur die morgen van 10 mei wanneer de Duitsers tevoorschijn kwamen vanuit de schijf van de rijzende zon, zoals donkere ganzen op de “Wexford Flats”. Twaalf van hen waren in het eerste smaldeel en een weinig daarachter en naar links een andere identieke groep. Ze vlogen laag, misschien op 600 meter, en hoog daarboven hingen twee witte gevechtsvliegtuigen. Alle luchtafweer kannonnen begonnen te bulderen. Er was de dreunende klap van artillerie en het geratel van machine geweren terwijl de Duitse vliegers westwaarts uit het zicht verdwenen, maar het was niet tot de vijand effectief volledig verdwenen was toen de sirenes waarschuwend loeiden; gedurende de volgende zes dagen en nachten zouden deze sirenes met tussentijdse intervallen loeien, waardoor de nachten afschuwelijk werden en slapen een zaak uit een ver geheugen bleek te zijn.

 

Nadat de oorlogsvliegtuigen verdwenen waren, kwam een gevoel van misselijkheid over mij, terwijl ik mij rekenschap gaf van het bloedbad en de ellende dat op de onschuldige hoofden van een gelukkig volk, wiens hoop en angst ik gedurende de laatste zes maanden had gedeeld, zou terecht komen. Maar er was geen tijd voor sentimentaliteit. Ik keerde terug om mij aan te kleden; er zou heel veel te doen zijn gedurende de lange dag die mij te wachten stond.

 

Toen kwam een verscheurende klap zoals een blikseminslag en ik voelde een schok in mijn maagholte. Het neervallende glas rinkelde op het voetpad vóór de Ambassade en ik herinner mij verwonderd te zijn dat het plafond en de muren niet instortten. Maar, we waren niet getroffen. De bom had een huis getroffen aan het kleine park Frère Orban, op een diagonale afstand van 50 meter. Enkele minuten later was er opnieuw een inslag op de Belliardstraat, onze volgende straat naar het zuiden, en we vernamen dat nog een andere bom vóór de Ambassade van het “Reich’ gevallen was. De Duitsers bleken geen voorkeur te maken.

 

Wanneer het evident werd dat niets de storm nog kon afwenden en alleen nog macht een antwoord op macht kon zijn, vertrok de Koning, tijdens de late avonduren van 9 mei, om persoonlijk het bevel te nemen over zijn veldtroepen. En de zaak van militaire co-operatie tussen de geallieerde legers voor de verdediging van België werd tenminste bepaald. Voor dit doel werd op 12 mei, te Casteau bij Mons, een vergadering gehouden die bijgewoond werd door Leopold, Generaal Gort, Bevelhebber van het Brits Expeditie Leger, en Generaal Billotte van het Frans Leger. Tijdens deze vergadering werd overeengekomen dat Generaal Billotte de leiding zou nemen over de operaties, en dat de Belgen en de Britten onder zijn bevel zouden geplaatst worden; de Generaal zelf zou onder het bevel van de Opperbevelhebber Gamelin staan.

 

De eerste verdedigingslijn was het Albertkanaal, een smalle kunstmatige waterweg die, enkele kilometers verwijderd van de Hollandse grens, hiermede parallel liep en zich uitstrekte vanaf Antwerpen tot aan de rivier De Maas. Enkele uren na het begin van de vijandelijkheden penetreerden Duitse tanks over de bruggen in Maastricht, Vroenhoven, Veldwezelt en Briegden en vorderden snel in het binnenland van België. Waarom deze cruciale overgangen nooit vernietigd werden “werd nooit voldoende toegelicht”, om de cryptische woorden van de Belgische Generale Staf te gebruiken.

 

Maar eens dat het kanaal overgestoken was, werd deze verdedigingslijn onhoudbaar en het Belgisch Leger had geen andere keuze dan terug te vallen op een reeks van versterkte punten en fortificaties die, 62 km meer naar het Westen, nauwgezet waren voorbereid.

 

 

Deze IJzeren Muur was ontworpen als de beslissende verdediging van het land. Deze beschreef een boogvorm vanaf Antwerpen, Mechelen, Leuven en Waver tot de vesting Namen op de Maas en werd beschouwd als een haast onneembare stelling. Het kostte een fortuin om de stellingen voor grote kannonnen, artillerie posities, betonnen kazematten en stalen antitank barrières te bouwen; en de stalen muur had, voor de gemiddelde Belg, dezelfde betekenis van veiligheid zoals de Maginot Lijn voor de Franse bevolking. Buitenlandse militaire waarnemers hadden bijna dezelfde optimistische zienswijze betreffende zijn doeltreffendheid.

 

Het Belgische strijdplan was nooit gebaseerd geweest op het begrip van alleen te staan en niet gesteund te worden. Integendeel, alle strategische en tactische trainingen werden gebaseerd op een rol die ondergeschikt was aan de Britten, en in het bijzonder aan het Frans Leger, dat beschouwd was als de sterkste militaire macht in Europa en waarvan de Generale Staf beschouwd werd als de meest bekwame in de wereld. Dit is de reden waarom Koning Leopold zo bereidwillig het ultieme bevel van zijn leger afstond aan de Franse autoriteiten en het lot van zijn land in de handen van de Fransen plaatste.

 

Nauwelijks waren de verdedigingsposities van de lijn Antwerpen, Mechelen, Leuven, Namen geconsolideerd, wanneer het nieuws van de capitulatie van de Hollandse legers, en de verpletterende nederlaag van het leger van Generaal Giraud in Holland, bekend werd. Dit betekende dat, in het geval de Duitsers met kracht doorheen Holland zouden vooruitgaan, de IJzeren Muur in België op de linker flank zou kunnen omzeild worden. Als gevolg van dit verontrustende vooruitzicht, gaf Generaal Gamelin het bevel dat er niet aan de IJzeren Muur zou gevochten worden.

 

Duitsers beuken tegen Belgisch Leger op een front van 80 km.

 

Wat was er gebeurd? Het Frans 9e Leger was ineengestort op een frontlengte van bijna 80 km. van Mésières tot nabij Dinant, en door deze grote bres baanden de Duitse gemotoriseerde divisies zich een weg, doorheen het zuidoostelijk deel van België, naar de zee. Een andere Duitse strijdmacht had het Franse 1e Leger aangevallen; dit laatste had de IJzeren Muur, vanaf Waver tot Namen, bemand en had zijn leger in overhaaste verwarring teruggetrokken.

 

De verplaatsingen van de Geallieerde legers in België resulteerden in een overhaaste terugtrekking. En nu deed zich het onvermijdelijke conflict voor, dat zich altijd zal voordoen bij een geallieerde bevelvoering, wanneer men pech heeft.

 

Misschien was er nog tijd om ongeveer een miljoen Britse, Belgische en Franse soldaten te redden, indien men onmiddellijk de beslissing had genomen om het gros van het Frans Leger aan de Somme te vervoegen, maar niemand maakte dat voorstel, en het is vanzelfsprekend dat niemand, behalve de Fransen, hiermede zou ingestemd hebben.        

 

Want, voor België, was de oorlog in verdediging van het land, en bij een terugtrekking naar Frankrijk waarbij het thuisland in de macht van de indringer gelaten werd, zou dit een verraad geweest zijn.

 

De Britten vochten, insgelijks, hoofdzakelijk voor Engeland. Het was ondenkbaar om de Kanaalhavens prijs te geven waardoor Engeland, vanaf het vasteland, kwetsbaar werd.

 

Dus, al mocht het tijdens de eerste week, vanuit een tactisch standpunt, opportuun geweest zijn om zich terug te trekken in een verzamelde verdediging in Frankrijk, was er vanuit een moreel standpunt geen sprake van.

 

Op 22 mei had de Duitse voorhoede Boulogne bereikt, en Calais viel de dag nadien. Een terugtrekking naar het zuiden was nu onmogelijk. De Duitse aanval had een barrière gevormd tussen Frankrijk en België.  Dit was het sombere vooruitzicht wanneer Generaal Weygand teruggeroepen werd uit Syrië om het bevel te voeren over de mislukking. Hij was vanaf Parijs doorheen een stevig bombardement gevlogen met een verplichte landing te Calais, ter nauwernood ontsnapt om neergeschoten te worden.

 

Wanneer Weygand het hoofdkwartier van de Koning bereikte waren zijn eerste woorden: “Ze hebben mij een catastrofe gegeven”.

 

De Koning vertelde in detail aan de Opperbevelhebber hoe hopeloos zijn positie was:

 

-          hoe zijn troepen, over een frontlengte van 80 km. , verpletterd werden door de vernielende

 

       Duitse luchtaanvallen

 

-          hoe grote hordes van door paniek gegrepen vluchtelingen doorheen het land uitgezwermd waren, vluchtend voor de angstwekkende slagen die, uit de lucht, op de steden en dorpen regenden

 

-          hoe op deze wijze werden de wegen in Vlaanderen overbelast gemaakt zodat militaire bewegingen haast onmogelijk werden

 

-          hoe, waanzinnig van paniek en verdwaasd door het gebrek aan voedsel en water, zij de demoralisering bij de Belgische troepen had verspreid

 

-          hoe de constante terugtrekking het moreel had verzwakt

 

-          hoe de vernietigende vooruitgang alle effectieve verbinding met de Britten had verbroken

 

-          hoe uitgeput de manschappen van de Koning waren na 10 dagen zonder slaap, steeds vechtend tijdens de terugtrekking, en met geen hoop om het ontmoedigende vooruitzicht te doen keren.

 

(wordt vervolgd)

 

(vertaald uit het Engels door L. Van Leemput)

 

 

 

 

LÉOPOLD DE BELGIQUE

 

Par John Cudahy, ambassadeur des E.U.

 

(suite N° 1)

 

Bombardements sans avertissement !

 

Il était près de cinq heures, ce matin du 10 mai 1940, lorsque les Allemands apparurent, comme émergeant du soleil d’une radieuse aurore, tel un essaim d’oies sombres en baie de Wexford. Douze d’entre-eux formaient une 1re escadrille, peu après et vers la gauche, un autre groupe semblable. Ils volaient bas, peut-être à 600 m. et bien au-dessus, comme suspendus dans les airs, deux avions de combat blancs. Toute la DTCA se mettait à tonner. Il y avait le grondement sourd et monotone de l’artillerie et le roulement des mitrailleuses tandis que les avions allemands s’effaçaient vers l’ouest ; mais il ne fallait pas attendre leur disparition complète lorsque les sirènes avertisseuses se firent entendre. Pendant les six jours et nuits suivants, leurs mugissements allaient se reproduire par intervalles rendant les nuits épouvantables et où dormir semblait déjà un lointain souvenir.

 

 

Une fois ces avions de combats dissipés, une sensation de malaise m’envahit, me rendant  compte du bain de sang qui allait s’abattre sur une population innocente et heureuse dont j’avais partagé, pendant les six derniers mois, l’espoir et la peur. Mais ce n’était pas le moment de faire du sentiment. J’entrepris de m’habiller, il y aurait pas mal de choses à faire durant cette longue journée qui m’attendait.

 

Soudain, un bruit sourd déchirait l’air, comme le fit la foudre, et je ressentis un choc au creux de l’estomac. Bruit de verre brisé sur le trottoir devant l’ambassade et je me souviens de mon étonnement de ne pas voir s’abattre le plafond et les murs ; mais nous n’étions pas touchés. La bombe avait atteint une maison du square Frère-Orban distant de 50 mètres en diagonale. Quelques minutes plus tard, un nouvel impact dans la rue Belliard cette fois, notre rue suivante, direction sud et nous apprenions par après qu’une autre bombe était tombée devant l’ambassade du  Reich.

 

Les Allemands ne semblaient pas avoir de préférence.

 

 

Lorsqu’il était devenu évident que plus rien ne pouvait dévier la tempête et que seul la force devait répondre à la force, le Roi s’était mis en route, tard le soir du 9 mai, pour prendre personnellement le commandement de l’armée de campagne. La question de la coopération entre les armées alliées ne fut définie que dans ses grandes lignes. Ce pourquoi, fut organisée, le 12 mai à Casteau près de Mons, une réunion à laquelle assistèrent Léopold, le général Gort, Commandant le Corps Expéditionnaire Britannique et le général Billotte de l’Armée française. Il fut convenu, pendant cette réunion, que le général Billotte prendrait le commandement des opérations et que les Belges et les Britanniques seraient placés sous ses ordres ; le général Billotte serait sous les ordres du généralissime Gamelin.

 

 

La première ligne de défense était le canal Albert, une étroite voie d’eau qui, distante de quelques kilomètres de la frontière hollandaise et parallèlement à celle-ci, s’étendait d’Anvers jusqu’à la Meuse. Quelques heures après le début des hostilités, les chars allemands franchissaient les ponts de Maastricht, Vroenhoven, Veldwezelt et Briegden et progressèrent rapidement à l’intérieur des limites de la Belgique. Pourquoi ces passages cruciaux ne furent-ils pas détruits ? « ne fut jamais élucidé en suffisance » pour reprendre les termes énigmatiques de l’EMG belge. Le canal une fois franchi, cette ligne de défense devenait intenable et l’Armée belge n’avait pas d’autre choix que de se retrancher derrière une suite de postes renforcés et de fortifications qui, situés 62 km. plus à l’ouest, avaient été minutieusement préparés.

 

 

Ce mur de fer était considéré comme défense déterminante du pays. Celle-ci décrivait un arc de cercle depuis Anvers, passant par Malines, Louvain, Wavre jusqu’aux forts de Namur sur la Meuse et était considérée comme une position quasi imprenable. Cela avait coûté une fortune pour renforcer les assises pour canons lourds, positions d’artillerie, casemates en béton et barrières antichars en acier ; le Mur d’acier, pour le Belge moyen, avait la même valeur de sécurité que la Ligne Maginot pour la population française. Des observateurs militaires étrangers avaient presque la même vision optimiste concernant son efficacité.

 

 

Le plan d’opération belge n’avait jamais été basé sur l’idée de se trouver seul et sans assistance. Bien au contraire, tous les entraînements stratégiques et tactiques avaient prévu un rôle de subordination par rapport aux Britanniques et spécialement par rapport à l’Armée française considérée comme la force militaire la plus puissante en Europe et dont l’État-major était réputé le plus compétent au monde. Ceci est la raison pour laquelle le roi Léopold cédait, de si bonne grâce aux autorités françaises, l’ultime commandement de son armée et le sort de son pays aux mains des Français.

 

 

Á peine les positions de défense de la ligne Anvers, Malines, Louvain, Namur étaient-elles consolidées que parvint la nouvelle de la capitulation des forces hollandaises et survint la défaite écrasante de l’armée du général Giraud aux Pays-Bas. Ceci impliquait que, au cas où les Allemands auraient poursuivi avec force leur percée à travers la Hollande, le Mur de fer en Belgique pouvait être contourné par le flanc gauche. En conséquence, le général Gamelin décréta qu’il n’y aurait pas de combats pour le Mur de fer.

 

 

Les Allemands se heurtent aux Belges sur un front de 80 km.

 

 

Que s’est-il passé ? La 9e armée française s’était effondrée sur un front de 80 km, de Mésières jusqu’aux abords de Dinant et par cette large brèche, les divisions motorisées allemandes, parties depuis le sud-est de la Belgique, se frayaient un chemin vers la mer. Une autre armée allemande avait attaqué la 1re armée française ; cette dernière s’en était prise au Mur de fer, de Wavre à Namur et avait dû retraiter précipitamment dans la confusion.

 

Les déplacements des armées alliées en Belgique résultaient de replis successifs. Ainsi naquit l’inévitable conflit qui se reproduira toujours lors d’un commandement allié en cas de malchance.

 

Peut-être était-il encore temps de sauver environ un million de soldats britanniques, français et belges, si la décision avait été prise de rejoindre le gros de l’Armée française sur la Somme ; mais personne ne fit cette proposition et il est évident que personne, hormis les Français, se serait rangé à l’appui de cette solution. Car, pour la Belgique, la guerre signifiait la défense du pays et par un repli en France – abandonnant la patrie au pouvoir de l’envahisseur – eut été une trahison. De même, les Britanniques combattaient, avant tout pour l’Angleterre. Il était impensable qu’ils abandonnassent les ports de la Manche par où l’Angleterre serait devenue vulnérable à partir du continent.

 

Donc, alors même qu’il eut été opportun, d’un point de vue tactique et dès la première semaine, de se grouper en une défense collective en France, d’un point de vue moral, il n’en était pas question.

 

 

Le 22 mai, l’avant-garde allemande atteignait Boulogne, Calais tombait le lendemain. Une retraite vers le sud devenait impossible. L’attaque allemande avait formé une barrière entre la France et la Belgique. Bien sombre tableau quant le général Weygand est rappelé de Syrie pour exercer le commandement suprême de l’Échec. Á l’entame de sa mission, il y a son déplacement par avion depuis Paris au travers d’un bombardement intense avec atterrissage de fortune à Calais, échappant de peu d’être abattu. Lorsque Weygand arriva au Q.G. du Roi, ses premières paroles étaient : « Ils m’ont confié une catastrophe ! ».

 

Le Roi exposa en détail au Généralissime combien sa propre position était désespérée :

 

-          comment ses troupes disposées sur un front de 80 km. étaient pilonnées par les attaques aériennes allemandes.

 

-          comment des hordes de réfugiés en débandade pris de panique fuyaient les coups terrifiants venus du ciel sur les villes et les villages et

 

-          qu’elles encombraient les routes de Flandre rendant impossibles les mouvements militaires.

 

-          comment ces réfugiés affolés par la panique, hébétés par la faim et la soif avaient semé la démoralisation des combattants belges.

 

-          comment les retraits successifs avaient affaibli le moral

 

-          comment la progression destructrice avait brisé le contact avec les Britanniques

 

-          Comment l’épuisement des effectifs du Roi, après 10 jours et 10 nuits sans sommeil, combattant sans cesse, durant la retraite et sans l’espoir de voir se retourner les perspectives décourageantes.

 

(à suivre)

 

(traduction libre : Oscar De Smet)